
UDEN - Het gaat niet goed met de Nederlandse hondendrolraperij. Sommige drolrapers zitten al hun hele leven in het vak, maar de laatste jaren krijgen ze het steeds moeilijker. Zit er nog toekomst in de ambachtelijke hondendrolraperij?
Gerrit Pluimers, drolraper in hart en nieren, schuifelt met gebogen rug over het trottoir. Zijn emmer is na drie uur werken nog grotendeels leeg. “Een drol of zeven, misschien acht”, schat hij. Bij de inkoper levert dat hooguit een paar euro op. Het is de magere opbrengst van een hele ochtend rapen.
“Vroeger kon je in de drolraperij een goede boterham verdienen”, mijmert Pluimers. “Mensen lieten gewoon alles liggen waar de hond het had gedeponeerd. Op de stoep, in het gras, midden op het fietspad. Gouden tijden waren dat. Een goede raper haalde voor het ontbijt al een volle emmer binnen. Maar tegenwoordig lopen ze allemaal met van die plastic zakjes om hun hand. En daar zijn ze nog trots op ook. Hoe de ambachtelijke drolraper dan moet rondkomen, daar houden ze geen rekening mee.”
Concurrentie
Pluimers voelt ook de concurrentie van de grootschalige industrie. “Die jongens van de gemeentereiniging, met hun veegmachines en hun stofzuigerwagens, die rijden gewoon over alles heen. Wat blijft er dan nog over voor een klein drolrapertje als ik? De grote drollen liggen er niet eens meer.”
En de hondenbezitters zelf? “Ach, schei uit over die mensen”, moppert Pluimers, terwijl hij met zijn schepje een verdwaalde keutel uit een rozenstruik vist. “Die denken alleen maar aan zichzelf. Lopen daar met zo’n biologisch afbreekbaar zakje, knopen het dicht, en flikkeren het in de bak. Zo werkt de keten niet.”
Pluimers zelf weet niet of hij het nog lang volhoudt. Zijn zoon wilde het bedrijf niet overnemen. “Die werkt nu in de marketing. Ook iets met stront, maar dan abstract.”

